Art nouveau NL

'Der Zeit ihre Kunst. Der Kunst ihre Freiheit.'
(Iedere tijd zijn kunst, de kunst haar vrijheid.)
   
     

Dit devies op het fronton van het in 1898 door J.M. Olbrich in Wenen gebouwde Sezessionpaviljoen, vat goed samen waar de art nouveau - vaak ook Jugendstil genoemd - naar streeft: het niet langer imiteren van stijlen uit het verleden om een kunst te creëren aansluitend bij de gevoeligheid en de levensstijl van een welbepaalde samenleving, het extreme individualisme van de kunstenaar op zoek naar een oorspronkelijke vormentaal uit te vinden, die de hele leefomgeving moest omvatten.

 

De art nouveau is eerst een zaak van progressieve figuren die graag met hun moderniteit pronken en dringt pas later door tot alle lagen van de bevolking om uiteindelijk een voorbijgaande mode te worden. De stijl verspreidt zich via tijdschriften voor sierkunsten en via de handel (warenhuizen of ‘kunstwinkels').

 

De art nouveau verleent een nieuwe dimensie aan het voorwerp, dat vervaardigd wordt door een ambachtsman wiens vakkennis wortelt in de traditie, of dat op industriële wijze vorm krijgt. In de tweede helft van de eeuw komt er een hevig debat op gang tussen zij die zweren bij de traditionele ambachtsman en zij die de eerste stappen van het industrieel design toejuichen. De in 1893 tot de 'sierkunsten' bekeerde Henry Van de Velde, die in 1901 artistiek raadgever werd voor industrie en handwerksnijverheid van Weimar zou als eerste een pleidooi hebben gehouden voor de machine (Déblaiement d'Art, 1894) die volgens hem ooit aan de basis zou liggen van een nieuwe esthetica.

 

De art nouveau is buitengewoon veelzijdig: van de overvloedige versiering van Gaudi in Spanje tot de rustieke eenvoud van Serrurier-Bovy of het japonisme van Mackintosh in Glasgow. De stijl ontstaat, ontwikkelt zich en verdwijnt tussen 1893 en 1910: aanvankelijk baseert de art nouveau zich op arabesken en naturalistische ornamenten, maar omstreeks de eeuwwisseling neigt ze naar geometrisering. Net als de min of meer getrouw afgebeelde plant is de abstracte gebogen lijn een uitdrukking van levensdrang, van groei en ontwikkeling. Het bestuderen van een plant stemt overeen met het begrijpen van een constructief systeem dat zowel toepasselijk is op de architectuur als op de voorwerpen. Talrijke modellenboeken zijn in omloop met veelzeggende titels als 'L'étude de la plante, son application aux industries d'art' (De studie van de plant en de toepassing ervan in de kunstnijverheid) van Maurice Pillard-Verneuil (1900).

 

De art nouveau streeft ernaar de leefomgeving te verfraaien, niet alleen om esthetische maar ook om morele redenen. Het reglement van de wedstrijd voor de inrichting van arbeiderswoningen, georganiseerd tijdens de Wereldtentoonstelling in Luik in 1905, verraadt de bekommernis om de arbeider onverwijld naar huis te doen keren. Jules Destrée heeft het in zijn commentaar op het interieur van Serrurier-Bovy over een 'indruk van frisheid, gezondheid, vreugde en energie'. De art nouveau vormt hier een tegenwicht voor de verleiding van de 'kroeg'. De bouw van het Volkshuis door Horta, tien jaar eerder diende eveneens een filantropisch doel: een goed verlichte en verluchte ruimte bieden aan mensen die in krotten wonen.

 

Dat men bij de bouw van de wintertuin van het Ursulineninstituut opteerde voor de progressieve art nouveaustijl - en niet voor de in katholieke middens hoog gewaardeerde neogotiek, of voor een veel neutraler eclectisme - kan wellicht verklaard worden uit het feit dat de doelgroep die men wenste te bereiken precies te situeren was binnen de gegoede burgerij die voor deze nieuwe progressieve stijl open stond. Overigens leende de aanvankelijk sterk floraal gerichte art nouveau zich uitstekend voor de realisatie van een wintertuin en kon men hierdoor ook iets tot uitdrukking brengen van de eigen belangstelling voor moderne tendensen, een belangstelling die bij het toenmalige beheer van de kostschool duidelijk aanwezig was.